lala.
De Kleine Wijde Wereld
Het Straatje
Zolang er geen zwarte- of andere ratten staan te blazen is het op het straatje plezierig rommelen voor het kleine joch. Hetzij samen met de anderen tuinbonen doppen, hetzij samen met Molly, maar heel vaak samen met mijzelf.

Het straatje is ook waar de dikke groene paal staat met waslijnen waarmee mam in de weer is als het weer dat toelaat. En daarbij inbegrepen is ook de richting van de wind. Het heeft namelijk geen enkele zin om gewassen goed hier te drogen terwijl Kroon bij wind in onze richting overtollige kippenstront sproeit over zijn akkers. De was slaat als gevolg daarvan groen uit. Om verder maar te zwijgen over het ammoniakale aroma dat aan onze kleding en het beddengoed blijft hangen.











Maar op een bepaald moment heb je het wel gezien op het straatje en wil je verder met je leven, de wijde wereld in. Dan blijkt dat er niet alleen voor Marjon bij het kleinzijn hekjes worden geplaatst. Tijd dus voor het volgen van je vrijheidsdrang en uit te breken, de Kleine Wijde Wereld in. Ook al valt dat niet mee.



De Werft
Mijn Kleine Wijde Wereld is die rondom het huis eenmaal over het hek geklommen of later gewoon bereikt via het roodbruine poortje met de ijzeren zon. Als eerste kom je dan op ‘de werft’. Het oprijpad waarmee ons huis is te bereiken vanaf de weg.


Zodra de voorafgaande laag te diep in de modder is weggezakt wordt de werft voorzien van een verse deklaag stevig-witte kiezelstenen. Het is dus hier waar je met een tennisbal kunt mikken op het hart van de roset in de muur. Zolang er de ruimte is althans. Als Henk zijn rijbewijs heeft gaat dat een stuk minder makkelijk omdat er dan Volkswagen-Kevers op de werft staan – in een bepaalde periode zijn dat er twee. En als Henk bovendien besluit een rode over te schilderen naar hoogglans blauw dan moet je nog extra afstand houden. Jammer trouwens dat door de vochtige lucht sommige versgeschilderde delen op het plaatwerk dof opdrogen in plaats van glanzend.
Tussen de werft en de heg waarover Margret van de buren steeds zit te koekeloeren bevindt zich een flinke moestuin. Het moet één van die strenge winters van begin jaren ’60 zijn dat de sneeuw hier tot ver boven mijn kruin reikt. Kees en ik graven niet alleen een heel gangenstelsel in de berg, ook snijden we er blokken uit om een iglo mee te bouwen. Het ‘dak’ gestut op balken lukte niet zo goed, maar de ‘muren’ houden stand tot begin maart.
Rechts van het oprijpad als je al bijna op de weg komt is de sloot die we delen met de familie Groot. Wim en Kees laten hier een Olvarit-potje te water, eerder leeggegeten door Marjon en voorzien van een fietslampje. Het lampje onder water is aangesloten op zo’n blauwe BEREC-batterij en wordt met een knopje aan- en uitgeschakeld. Het is intrigerend en we zijn er uren mee in de weer. Met dit sterk staaltje waterbouwkundig ingenieurswerk.
Redding van de draak
Onze werft is ook ‘de redding’ van zo'n dragline. Ik zie het vlak voor mijn ogen gebeuren omdat het buitengewone transport van die 'draak' op een dieplader al van verre mijn aandacht trekt. Bij het passeren van ons huis helt het gevaarte gevaarlijk opzij en kantelt het in slow-motion zo lijkt het van de dieplader af. Precies bij ons op de werft! Molly die het monster met haar geblaf eerst nog op afstand probeert te houden kan maar ternauwernood ontsnappen (ikzelf bewaarde sowieso al afstand). Die giek scheert bij het kantelen rakelings lang de schuur en mist het dak op een haar na. “Gelukkig maar dat ie niet in de sloot terechtkwam, het had nog veel erger gekund” probeer ik nog luchtig bij mam en pap, die daar maar koeltjes op reageren. Hoe het gevaarte weer terug op de dieplader is gekomen staat niet meer op mijn netvlies maar het moet een hele klus zijn geweest. Ik hoor nog wel pap en mam hun beklag doen over de gaten die deze kleine ramp in de werft heeft geslagen.


Indische boerderij
Op voorgaande foto van een dragline is op de achtergrond het huis te zien waar Henk en Joke vlak na hun trouwen komen te wonen, aan het einde van de Machineweg naast het gemaal waar het overtollig water uit de polder via de Machinetocht naar het Noordzeekanaal wordt gepompt. Achter dat huis is de kap van de Roonshoeve zichtbaar. Vanwege de gelaagde kap, die iets weg heeft van een Indonesische tempel, is dit mijn favoriete boerderij. Het verband met Indonesië is minder vergezocht dan dat het lijkt. De heer D.F.A. Bauduin (1827-1909), de landbouwkundig ingenieur verantwoordelijk voor de inrichting van de Houtrakpolder is daarvoor teruggekeerd uit Indonesië. Een naam als de Java-hoeve herinnert daar bijvoorbeeld nog aan.


De Voortuin
Aan de voorzijde van het huis en tussen ons en Valent ligt de L-vormige voortuin, bestaand uit een gazon omzoomd met grindpad, ligusterheg, de nodige bloemenperkjes en de sloot die ons scheidt van de Bauduinlaan.
Op deze sloot komt ons riool uit. Van de ‘seppietank‘ (sceptic tank) dat het water moet zuiveren voordat het op de sloot wordt geloosd hoor ik zelden wat goeds. Het verbaast me dan ook niet dat het deel van de sloot waarop de rioolbuis uitkomt er uitziet als zwarte drab in plaats van enigszins helder water zoals bij de buren. In warme zomers komt het voor dat de sloot droogvalt waarmee het wordt ingelijfd bij mijn speeldomein.

Vanuit de droge sloot waan je jezelf een struikrover of tollenaar die vanuit een uitmuntende positie in staat is weggebruikers te bespieden en uit onverwachte hoek te grazen te nemen. Maar het gedeelte daar bij die rioolbuis, daar kom ik maar liever niet.






Midvoor bij de slootkant staat de magnolia die door pap is ondergraven met koemest om in het voorjaar voluptueus te bloeien. Dit is de plek waar een hartverscheurende tragedie zich voltrekt. Nou ja, niet voor iedereen maar toch zeker wel voor mij. Het is de plek waar Elly mij vertelt dat ze ons gaat verlaten (voor een opleiding tot verpleegster in Haarlem). En hoewel ik mij niet heel veel kan herinneren van Elly’s aanwezigheid in huis, behalve dan dat ze de voorslaapkamer deelt met Thea, roert deze ontboezeming mij tot tranen toe. Op mijn “waarom?” heeft ze geen geruststellend antwoord. Elly probeert mij nog te troosten met “niet voor altijd hoor, ik kom heus nog wel eens langs”. Maar het leed is al geschied. Het moet overigens voor haar een hele stap zijn geweest. Op haar zestiende!



Gelukkig houdt Elly haar belofte en komt ze met verschillende aanleidingen regelmatig terug. Bijvoorbeeld bij de geboorte van Marjon waar ze mama kraamhulp biedt. Of op verjaardagen. Van haar krijg ik op mijn negende- mijn eerste echte jeugdroman ‘Marius’ van Rolf Døcker. Het boek vind ik erg moeilijk. En als ik het coming-of-age-boek over een paar jaar wel snap dan heb ik er niks mee dat Marius op het eind van het verhaal zich voelt aangetrokken tot een meisje dat hij al jaren kent. Meisjes pfth… Maar zover is het nog niet. Als ik nog op diezelfde verjaardag de paginanummers van het boek met mijn nieuwe viltstiften omcirkel reageert Elly heel erg boos.
Elly heeft het heel vaak over het ‘CLIO’, wat mij niet zoveel zegt maar wat ik associeer met ver weg en met reizen. Bijvoorbeeld! Op een donkere avond met slecht weer gaan we met ome Kees Blommestein achter het stuur in een Volkswagenbusje Elly ergens afzetten en uitzwaaien. Ik weet niet waarheen we gereden zijn, maar we zwaaien langdurig naar haar totdat ze ons niet meer ziet maar wij haar wel, verlicht achter het raam. Misschien begint hier haar vliegvakantie naar Mallorca, waarvan ze met Ina Vink terugkeert met horrorverhalen over het (bijna) eten van levende mieren in een chocoladereep?
Niet alleen Elly maar ook Henk wordt besmet met het vakantievirus dat eind zestiger jaren wild om zich heengrijpt. Met Clemens Kroon (een andere als die we zullen ontmoeten op ’t Driehoekkie) gaat hij op vakantie naar Oostenrijk en komt terug met een setje kleine koebellen als aandenken. Hij geeft ze cadeau aan mama waarna het nog lang deel uitmaakt van de opluistering van de woonkamer.


Elly's tweede afscheid
Uiteindelijk komt Elly nog één laatste keer ‘thuis’ op de Bauduinlaan, om met Frans weer te vertrekken, op haar trouwdag. En met ons natuurlijk, naar de kerk en het stadhuis op Halfweg om daar van de bruiloft getuige te zijn. En na afloop naar De Zoete Inval om het allemaal te vieren.
Frans hebben we dan inmiddels al goed leren kennen, vanaf de dag dat Elly hem voor het eerst naar de Polder meeneemt en aan ons voorstelt. We apegapen hem bij die gelegenheid langdurig aan. Elly haar vriend? En hij eet gewoon met ons mee? Een indringer aan onze tafel waar ieder van ons al een vast plekje heeft? Waar moet hij dan zitten? Het ontwricht mijn onwrikbaar wereldbeeld dat is gegrondvest op ons gezin als hoeksteen van eeuwige zekerheid.
Het verhaal gaat al spoedig rond dat Frans vele jaren ouder is dan Elly. Geen wonder dus dat hij al auto rijdt en waarom hij vaak naar tante Nel en Ome Kees Blommestein gaat met wie hij het goed kan vinden. En kan praten over zaken zoals alleen volwassenen dat kunnen. Hij lacht trouwens vaak en erg hard en hij is, je gelooft het niet, Feijenoord-fan. Vast de reden dat hij in 1974, als wij hier natuurlijk al niet meer wonen, voorafgaand aan het WK-voetbal, zich met papa beklaagt over het niveau van het prutelftal dat 'ze' naar West-Duitsland sturen. Om over die coach maar liever te zwijgen.
Na de bruiloft gaan Elly en Frans dagjes uit in plaats van op huwelijksreis. Op de achterbank mogen wij dan wel eens meerijden. Zodoende kom ik voor het eerst in Artis. Frans en Elly geven elkaar bij wijze van een high-five een pakkerd van een zoen, niet alleen omdat ze de weg erheen hebben gevonden maar een parkeerplekje aan de Plantage Kerklaan bovendien. Vlak bij de ingang.
Ook mogen mam en ik mee naar de Floriade in Amsterdam. Hoogtepunt daar is een ritje in het reuzenrad waarbij ik recht in de ogen van mijn hoogtevrees kijk. Bij het wandelen daarna over de met boomschors geplaveide paden rept Frans over de prachtige ‘ongerepte natuur’ waarvan hij zo onder de indruk is. Het jonge bruidspaar raakt bij het Zweedse paviljoen geïnteresseerd in de houten zelfbouw-chalets. Wellicht soelaas voor hun huidig ’tuinhuisje’ in Noordwijkerhout? Laatst heb ik met eigen ogen gezien dat ze daar heel erg krap wonen. De wandeling naar het strand daarna zorgde gelukkig weer voor voldoende bewegingsruimte.
De Kanarieschuur
De kleine wijde wereld, daar hoort ook de kanarieschuur bij. Kanarieschuur? Jawel, daarmee bedoelen we het bouwwerk achter ons huis waarin pap zijn kanaries kweekt, of -melkt zoals mama zegt. Daarvan zijn er feitelijk twee, een oude en een nieuwe. De oude is een groene gebouwd met harde platte asbestplaten, eternit heet dat geloof ik. Hoe dan ook de platen zijn dun en breekbaar, als je er met een hamertje tegen tikt dan sla je er zo een gat in. Bij het slopen van deze schuur gooien we de eternitplaatjes nog op een vuur dat pap speciaal hiervoor aangemaakt heeft. Wat ‘knappen’ die plaatje lekker.


De nieuwe schuur is rood gecarboleümd (gecarbolineümd) en helemaal door papa zelf gebouwd. Nou ja helemaal, ik heb hem natuurlijk ‘geholpen’ en er kwam ook een grote wagen langs om cement voor de vloer te storten. Maar voor de wapening van die vloer heeft pap wel zelf gezorgd, er ging heel veel oud-ijzer in, ook onze oude fietsen.

De nieuwe schuur heeft een voorgedeelte (op de foto links) met de zogenaamde ‘vluchten’ waar de kanaries in een redelijke ruimte kunnen ‘rondvliegen’. Meestal betekent dit niet meer dan een vlucht van anderhalve meter van de ene zitstok naar de andere, vooral als de vogels opschrikken zodra je door de deur naar binnenkomt. In het tweede gedeelte rechts staan de kleine broedkooien
waar geselecteerde paartjes samen worden gezet om een eitje te leggen en het daarna uit te broeden.
De buitenramen van de schuur kunnen als het hoogzomer is voor verkoeling uit de sponningen worden genomen. ’s Winters speelt de eerder genoemde Rowenta een grote rol bij de luchtbehandeling – de prijs van stroom is klaarblijkelijk nog niet een onderwerp dat de gemoederen bezighoudt.



Bij het helpen verzorgen van de vogels kun je mooi wat zakgeld verdienen. Door dagelijks de waterbakken in de vlucht en de kleine drinkglaasjes in het broedgedeelte te verversen, en daarna de voerbakjes met bijvoorbeeld koolzaad aan te vullen (ik neem soms weleens een hapje van het gele zaad. Zo lekker zacht en zoet!). Als de emmer met ‘afgewerkt’ water eenmaal vol is, en in de zomer letterlijk stinkend vol, dan moet je die legen op de mesthoop achter de schuur die pap trouwens ‘mistput’ noemt. Voor extra toeslag op mijn zakgeld betrekt hij mij ook op andere manieren bij het kweken. Het inenten van de kuikens vind ik wel eng. Pap houdt dan het vlerkje van het jonkie gespreid waarna ik met een scherpe naald, zo eentje als bij punniken, gedoopt in tinctuur in het okseltje moet prikken. En zo achter mekaar door. Soms prik ernaast en dat laten de beestjes merken.
Voflora- en wereldkampioen
Door al mijn hulp heeft papa 's avonds meer tijd voor het bestuderen van zijn beestjes en te komen tot optimale paring in de categorie goudbruin (-zilver-agaat-violet of zoiets). Zo bekeken draag ik dus een steentje bij aan zijn kampioenschappen kleurkanaries kweken, op lokaal niveau op de Voflora in Zwanenburg en bij de wereldkampioenschappen in de prachtige Rivièrahal in diergaarde Blijdorp in Rotterdam. Overigens bestreikt dat laatste alleen het Noordelijk halfrond – het Zuidelijk halfrond heeft in verband met de andere seizoenen zijn eigen kampioenschappen.

De keurmeester en de vogelfluisteraar
Dat pap verstand heeft van gekleurde kanaries blijkt ook uit dat hij keurmeester is. En wel eentje met aanzien. Vele weekenden worden door hem besteed aan het keuren van kanaries op vogeltentoonstellingen her en der in het land. Hij wordt daar dan met alle égards ontvangen. Er staat een vergoeding tegenover en hij vertelt ons na afloop altijd hoe goed de biefstuk die hij tijdens de lunch kreeg geserveerd dit keer smaakte.
Toch is het gewaardeerde vak van keurmeester omhuld met geheimzinnigheid. Naast degenen die zich richten op de kleuren van de vogels zijn er ook die de zangkunsten van vogels op waarde schatten. Dit soort keurmeesters gaat dan samen met zo'n zangvogel een geluidsdicht hok in om goed te kunnen luisteren. Op Zwanenburg doet het verhaal de ronde, zo vertelt pap besmuikt, dat in een bijzonder geval de vrouw van de kweker mee het hok in is gegaan. Want alleen in haar nabijheid zouden de vogels zich op hun gemak voelen en tot de beste prestaties komen. Het blijkt goed te werken want de kweker is na jaren op rij ook dit keer weer kampioen. Merkwaardig toch? Een vrouw die vogeltjes kalmeert?
Kanariemelkers
Naast de prijzenregen - de prijzenkast puilt werkelijk uit - , of juist in verband daarmee, trekt een keur aan 'kanariemelkers' door de kanarieschuur. Daar zijn Van Gasteren en Van den Dool, waarvan de laatste steeds dezelfde grapjes maakt, zoals dat zijn ene been langer is dan zijn andere, waarbij hij staande op het 'lange' been naar voren en naar achteren zwiept met zijn gestrekte 'korte' been, zonder daarbij de grond te raken (ik doorzie zijn truc heus wel). Het andere duo Hadders en Houweling, Jan Grauwelman, Eddy Oei, wiens achternaam weer leidt tot een smakelijke grap als hij zich voorstelt aan mama, Paulliedam (Paul van Leerdam) en iemand "die altijd praat alsof ie de directeur van de Hoogovens is" ("dat is een beste business hoor Henk" hoor ik hem eens zeggen. Wat is dat eigenlijk, bisnis?), René Snoeks, John van Aalst, Brouwer en vele anderen.
Nieuwe bezoekers maken mij altijd extra nieuwsgierig waardoor ik in hun nabijheid blijf om de gesprekken te volgen. Zo ook die keer dat pap mij voor heel even alleen bij zo'n duo achterlaat. Bij het bestuderen van de vogeltjes spreken ze alsof ik er niet bij ben, maar ook duidelijk om het mij te laten weten, op respectvolle wijze hun bewondering uit. "Hij is een goeie kweker" zegt de een. "Een geweldig goeie" beaamt de ander. Ik ben zo trots.
Tenslotte biedt de kanarieschuur ruimte voor mijn eigen vogeltje. Een dwergkwarteltje dat niet kan vliegen en mag rondlopen in de vlucht. De dame legt zelfs een eitje. Maar op zoek naar beschutting voetbalt zij met een klaaglijk geluid het eitje radeloos van de ene naar de andere hoek. Totdat het na een paar dagen stuk is. Ik leg de schuld bij de kanaries. Bij het watergeven en voeren spreek ik ze vermanend toe. “Laat mijn kwartel met rust! Anders zwaait er wat!”
Het Grasveld
Rondom de kanariesechuur is een graslandje waarop een paar robuuste T-palen voor de waslijn staan. Die palen zijn eens neergezet door ‘Koster‘ die daarbij zijn shirts uitdeed en in zijn blote bast ging werken wat ik erg raar vond. En afstotelijk! Zijn melkwitte bezwete torso bezaaid met sproeten. Waarom deed pap dit eigenlijk niet zelf?
Ook zijn er boompjes gepoot op ‘het grasveld’ dat soms ook wel ‘de boomgaard’ wordt genoemd – alhoewel ik mij niet herinner hier de vruchten van te hebben geplukt – afgezien dan van de zure rode bessen van een aantal struiken die we dik belegd met suiker op brood eten en waarvan – meen ik – nog is getracht jam of limonade te maken. Daar ging dan ook nog citroensap bij.
Ondanks de mistput in de hoek is het grasveld voor mij een fijn speelterrein. Met allerlei onderdelen zoals een uit de kluiten gewassen houten ladder, een lege oliedrum, een onbekend land- of tuinbouwwerktuig als mast bouw ik een schip met in de stuurhut een afgedankte geiser als roer. Een schip waarmee ik de zeven zeeën bevaar met de groene graspollen als golven. Het weer op zee is altijd woest zodat ik niet alleen een dikke trui draag maar daaroverheen ook mijn dikke bruine houtje-touwtje-jas met capuchon die ik strak om mijn gemutste hoofd snoer. Maar niet zo lang als het daarvoor te warm is.
Over warmte gesproken. Tijdens een lange zomer mogen we op het graslandje camperen in een grote gele bungalowtent die pap ergens op de kop heeft getikt. Dagenlang spelen we van alles en nog wat in de vanbinnen met slingers versierde tent, bijvoorbeeld koek- en snoephappen, ook met kinderen uit de buurt. Maar aan alle plezier komt een eind zodat uiteindelijk de tent, hetzij slordig hetzij zonder verstand van zaken of -beide, wordt opgeborgen boven op de vluchten in de kanarieschuur – een soort rommelzolder. De laatste keer dat ik de tent weer zie is als die weer tevoorschijn wordt gehaald, waarschijnlijk een paar jaar later. Het blijkt dat een enorme muizenfamilie dan bezit heeft genomen van de tent om er hun muizenissen in aan te leggen. De arme diertjes schieten alle kanten op als de tent weer van de zolder wordt getrokken. En arme ik sta aan de grond genageld bij het zien van de muizen-exodus tussen mijn benen door.
Boeren en Tuinieren
Buiten de totnutoe beschreven kleine wijde wereld moeten we niet vergeten dat daarachter nog een stuk land ligt dat ook tot het domein van Bauduinlaan 38 behoort. Een halve bunder (hectare) land van tweehonderd meter lang dat grenst aan landerijen van Kroon. Een stuk land waarin de belofte besloten ligt dat, ofschoon kleinschalig, ook de bewoners van de Bauduinlaan zich toeleggen op het boerenbedrijf. Bij Groot en Verkerk staan er schaapjes in de wei en bij Valent is er graan geoogst.
Dit heeft tot gevolg dat we met aardig wat landbouwactiviteiten rondom het huis worden opgevoed. Zo heeft ieder van ons op een goed moment zijn eigen tuin en de verantwoordelijkheid om goudsbloemen, afrikaantjes en zonnebloemen welig te laten groeien. Daarnaast ‘helpen’ we papa natuurlijk met het schoffelen en het harken. En met het scheiden van de bruine bonen van de kluitjes aarde en met het doppen van de tuinbonen.
Henk vertelt me dat pap in de krant nog adverteerde met “Winteruitjes 15 cent per kilo”. En dat daar een geïnteresseerde op af kwam, op de fiets, met één kind voorop en ééntje achterop. Groot was diens teleurstelling dat de twee niet de juiste maat wintertruitjes konden passen, waarvoor ze immers gekomen waren.
Speciale aandacht moeten we nog schenken aan de aardbeien. Het aardbeienveldje achter het grasveld is aanzienlijk met een eveneens aanzienlijke jaarlijkse opbrengst tot gevolg. Dit leidt niet alleen tot het gratis van deur tot deur bezorgen van de rode vruchten, maar ook tot allergische reacties waarbij mijn hele lijf vol zit met jeukbulten van dezelfde kleur. Dit in combinatie met het geprik van de distels in je benen als je ze moet plukken maken dat ik aardbeien op brood na een tijdje goed zat ben. Tenzij er suiker op zit natuurlijk.
Naast de drukke agrarische activiteiten zijn er ook jaren waarin het land niet of nauwelijks wordt gebruikt en braak ligt. In zo’n jaar maakt Kroon hier dankbaar gebruik van door trekkers en landbouwmachines via ons naar zijn eigen akker te verplaatsen. Dat kan dan blijkbaar niet vanaf zijn eigen erf? Afijn, het mag van pap. Alleen moeten dan wel de waslijnen even opzij. Een ander jaar geeft pap toestemming aan Henk om graan te verbouwen, gerst geloof ik. De kwaliteit daarvan wordt aan het eind van de zomer niet al te hoog aangeslagen aangezien er zoveel pluizende distels boven de aren uitsteken.
De Beestenbende
Naast akkerbouw verwacht je misschien ook een veestapel? Je kunt niet zeggen dat daar sprake van is bij de familie Meekel alhoewel er in een bepaalde periode fazanten tegen ‘de schuur’ aan hokken en hokken achter de zandbak zijn gevuld met konijnen, zo nu en dan rigoureus door pap uitgemest omdat Thea heeft verzaakt. En ik zie op een dag kippen geslacht worden door ome Gerrit. Met geknakte nekken blijven ze inderdaad nog bewegen en laten daarbij een spoor van bloed na. Op een morgen ontdek ik een paling in een emmer, gevangen door Wim begrijp ik, zijn enige vangst na een dagje vissen. De paling stinkt. Mijn dwergkwartelvrouwtje in de kanarieschuur krijgt later gezelschap van een heel mooi blauw dwergkwartelventje en er is een periode dat Henk zebravinkjes heeft.
De vluchtende muizenkolonie uit de gele tent en de blazende zwarte rat heb ik al eerder genoemd. Maar als ik ook dergelijk ongedierte bij de beestenbende betrek dan moet ik ook de vliegen overdag en de muggen ’s nachts benoemen. Dat zijn er zo ontiegelijk veel dat het verdelgen daarvan hopeloos is. Al doet mama met de Vapona-strips en Vlido-spuitbus nog zo goed haar best.

Als ze weer met de spuitbus in de weer is dan moeten we allemaal de woonkamer verlaten en legt ze een doekje over de kooi van Pietje, haar eigen zangkanarie. Na een half uur liggen de vliegen te kreperen waar je maar kijkt. En de ’s zomerse muggen? Tja de muggen. Wij leren er gewoon maar mee leven dat we ’s nachts helemaal lekgezogen worden. De muggebulten krab je daarna gewoon stuk. Zodat het daarna niet meer jeukt.



En natuurlijk is daar Molly. Molly onze raszuivere ‘vuilnisbak‘ is leeftijdgenoot van mij en maatje van ons allemaal. Molly is altijd aanhankelijk. Altijd? Nee, uitgezonderd als zij net weer jonkies heeft geworpen. En dat gebeurt jaarlijks, steeds met drie of vier tegelijk. Na de bevalling beschermt ze met gegrom en blinkende tanden haar kroost en mag alleen pap dichtbij komen.
Soms worden na de worp de hondjes direct verdronken maar in andere gevallen groeien ze een tijdje bij ons op totdat er nieuwe baasjes worden gevonden. Molly gaat op een dag zelfs met een heel roedeltje jonkies op pad. Zijzelf komt weer snel boven water maar van de kleine hondjes ontbreekt na dagenlang zoeken nog ieder spoor. Ieder spoor? Ik vertel pap dat ik gelijk Winnetoe het spoor van de hondjes gevonden heb, maar pap zegt dat ik moet ophouden met die flauwekul.
Aan één van de langblijvers mag Paul een naam geven. Het wordt ‘Makkie’ (hoe verzin je het Paul, het is Max, niet Makkie!?). De dochter van de kanariemelker die praat als de directeur van de Hoogovens loopt de hele dag met Makkie te zeulen alsof het een baby is. Met z’n pootjes in de lucht, het arme beest. Dickie, een ander nakomelingetje, treft het beter en wordt uiteindelijk door Frans en Elly geadopteerd.
Molly is overigens ook fel als zij een rat in de smiezen krijgt. Ik ben er getuige van hoe zij razendsnel achter zo’n beest aanvliegt, het te pakken krijgt en vermorzelt tussen haar kaken. Het snerpend gekrijs dientengevolge gaat door merg en been. Het is één van de twee ratten die ik ooit zie aan de Bauduinlaan, en dat is opmerkelijk omdat er ontieglijk veel van zijn, omdat het hier een Walhalla voor hen is, door de nabijheid van de vuilnisbelt, de kippenboerderij van Kroon en de zakken kanariezaad van Witte Molen die pap niet alleen voert aan de kanaries maar ook verhandelt.
De Kleine Wijde Wereld
<einde>
- De groene houten waslijnpaal is na de komst van de ijzeren palen op het grasveld rottend terug te vinden onder de haag die ons scheidt van Valent. Onder de half vermolmde paal ligt nog monopoliegeld dat ik daar heb begraven maar daarna nooit meer teruggevonden.


















