Bauduinlaan 38 – Ruigoord


Op de ingekleurde foto mijn ouderlijk huis zoals het eruit ziet op de donderdag dat ik het eerste levenslicht zie. De dag waarop de Volkskrant meldt dat de gemeenteraad in Amsterdam goedkeuring verleent aan het ontwerp van Vegter en Berghoef, voor een nieuw stadhuis dat daarna nooit wordt gebouwd. Ruim tien jaar geniet ik aan de Bauduinlaan van mijn ombekommerde jeugd, slechts verstoord door mijn angsten voor de schooltandarts, het wekelijkse schoolzwemmen en Sinterklaas. Ik kijk rond, de katten uit de boom en denk veel na over wat ik zie. Door het ‘raam met de ruit’ in het midden, linksboven de WC, kan ik vanuit mijn bed, als de slaapkamerdeur tenminste openstaat, een deel van de Bauduinlaan gadeslaan. Zodoende ontdek ik zelf het Dopplereffect; auto’s maken een hoger geluid als ze naderen dan nadat ze gepasseerd zijn. Ik hoor het ook aan de vliegtuigen die om de vier à vijf minuten zó laag overvliegen dat je zowat kunt zwaaien naar de mensen achter de raampjes.

Op de doortochtige landmanswoning, ontworpen door architect Schuitemaker uit Purmerend, en tezamen met de twee belendende huizen gebouwd voor de somma van 43.000 gulden, wordt veel gemopperd maar desalniettemin is de indeling slim en de vormgeving stijlvol. Hiernaast bijvoorbeeld de roset die de linkerbuitenmuur siert. Een ornament als dit en de afwerking van het houtwerk zowel binnen als buiten getuigen van zorgvuldige bouw ergens in de jaren vijftig. De roset overigens nodigt ons in onze jonge jaren uit om met een tennisbal op het midden te mikken.

Hoe vaker raak hoe hoger de score. Die scores zijn soms zo hoog dat mama – het gebonk zat – komt zeggen dat we wat anders moeten verzinnen.

De Voorkamer

Om precies te zijn: ik ben geboren in de voorkamer, in een kraambed direct achter dat grote raam. Dat is namelijk de plek waar in voorkomende gevallen een ledikant wordt opgesteld, voor mijn moeder bij geboortes, of voor mijn vader als die herstelt van zijn maagoperatie1 of rust moest houden vanwege zijn geforceerde rug2.

De voorkamer biedt door de dunne beglazing een weids uitzicht over het westen van de Houtrakpolder – kortweg ‘de polder’ – richting Spaarndam. Schier eindeloze akkers die vanaf de lente tot de herfst tot aan de horizon verkleuren met suikerbieten, tarwe, aardappelen of gerst. De kamer heeft geen kachel, wel is aan de achterwand de warmte voelbaar van de schoorsteen waarop de oliekachel in de woonkamer is aangesloten.

Wim in de voortuin en cyclamen achter het raam.
aardappelen
… of gerst zo ver het oog reikt.
"In de liefde is teveel nauwelijks genoeg"

Deze spreuk op het bordje aan de muur onthou ik preciezer dan de kamer waarin het hangt. Voor nu hou ik het even op de voorkamer maar het kan net zo makkelijk de woonkamer zijn waar we straks een kijkje zullen nemen.

Veel belangrijker dan de plek is de betekenis waarover de tekst die de zeven haasjes op het bordje vergezelt, in een groen veld onder een blauwe lucht, geen misverstand laat bestaan: In dit huis is er veel liefde en derhalve is het huis nauwelijks groot genoeg! Maar er klopt iets niet. Althans niet helemaal zolang we aan de Bauduinlaan wonen. De twee grootste haasjes in het midden stellen mijn oudste zus en broer Elly en Henk voor. De vijf haasjes in afnemende grootte aan weerszijden van hen staan voor Wim, Thea, Kees, ik en Paul. Het bordje is derhalve niet langer toepasselijk na 1969, het jaar waarin mijn jongste zusje Marjon geboren wordt.

’s Winters is het in de voorkamer zo kil dat het nauwelijks wordt gebruikt. Behoudens dan in de genoemde omstandigheden waarbij een Rowenta kacheltje de stoppen uit de meterkast doen slaan. Of wanneer mijn oudste broers de lage temperatuur trotseren bij het luisteren naar hun nieuwe platen (Lady Madonna van Wim) of het rangeren met Minitrix-treintjes (of van Lima – “Veel beter” – volgens Henk). Laatst was Wim trouwens in de weer met een losse draaitafel waarmee hij zelf een platenspeler gaat bouwen. Ome Theo zei hem toen “Je moet er niet alleen naar kijken, je moet er ook eens iets mee gaan doen!” Overigens gedijen de prachtige hertshoorn aan de warme muur en de kleurige cyclamen achter het raam hier uitstekend, tot grote voldoening van mama.

In de voorkamer
Na de geboorte van Marjon

In de voorkamer bevindt zich trouwens verstopt in de hoek naast het raam nog een ruime inbouwkast met groene deur. Die kast lijkt te fungeren als kunst-depot gezien de stapel tekeningen hierin door ons op school gemaakt en de ‘gebakken’ potjes van de pottenbakker die daar een demonstratie kwam geven3. Hier vind ik ook het schetsboek dat Henk heeft gemaakt over de Olympische Spelen in Tokio. Met de mooi geschilderde Olympische ringen en de handtekening van Ada Kok.

De Kelder

Linksonder het raam van de voorkamer het kleine raampje van de kelder. Die donkere muffe ruimte vind ik eng. Na het openen van de toegangsdeur vanuit de gang naast de opgaande trap is het uitkijken geblazen dat je niet van het steile trapje naar beneden lazert, eventueel in het water dat in natte delen van het jaar centimeters hoog staat. Op richels langs de klamme wanden staan weckflessen met allerhande ingemaakte groente die m’n vader met onze ‘hulp’ in de tuin heeft geoogst. De potten sperziebonen en rode bieten zijn bedekt met stof en spinrag gesponnen door vette spinnen met dikke poten. Ze doen mij de lust voor het eten van de conserven vergaan en ik kan me niet voorstellen dat ik dat in volle bewustzijn heb gedaan.

Boven

Vanuit de voorkamer langs de kelder de gang door kom je links bij de tweetraps-trap naar boven. De eerste vier treden leiden eerst naar een vierkant tussenplateau. Op het plateau sta je in een mooie positie om in één keer over het hekje weer terug de gang in te springen. Het hekje dat voor Marjon voor de trap is geplaatst om haar te beletten naar boven te klauteren. Dat springen vanaf het plateau doe ik sindsdien eigenlijk altijd.

Vanaf het plateau ga je rechtdoor de deur door naar de WC. Als die niet op slot zit tenminste wat in een groot gezin nogal eens gebeurt. Als ik er op zit duurt dat trouwens nooit lang. Niet uit sociale overwegingen maar omdat ik bang ben dat de zware gietijzeren spoelbak hoog boven mij naar beneden stort, boven op m’n kop. Het wordt immers stortbak genoemd toch? Trouwens, afgelopen weken heb ik ook een rattenstaart zien bungelen uit het rooster in het plafond. Later was die opeens weer weg. Da’s gek toch? Ik durf er geeneens iets over te zeggen.

Want Paul is net zo bang voor de WC en hij mag daarom nog heel lang op zijn gele pot blijven poepen. Een gele pot waarmee hij door de kamer schuift door zich met zijn voeten af te zetten. Henk is dat op een gegeven moment zo zat dat hij Paul van de pot rukt en hem onder zijn armen meeneemt naar de WC om hem daar op de pot voor grote mensen te zetten. Paul schreeuwt moord en brand. Maar sindsdien heb ik de gele racepot niet meer gezien.

Zoals bijna alle deuren in huis heeft ook die van de WC op ooghoogte (van een volwassene althans) een matglazen raampje in de vorm van een ruit. Toen papa en mama er laatst niet waren, misschien op de brommer naar de Chinees in Zwanenburg, en Henk wel erg lang op de pot bleef zitten hebben we met z’n drieën ofzo geprobeerd hem daar vanaf te pesten door aanhoudend aan de deur te rammelen.

In 2007 nog steeds stuk?

Dat haalde eerst niks uit, dus gingen we er nog wat harder tegenaan. Plotseling, ik sta inmiddels een paar treden hoger, zie ik recht voor m’n ogen, ik zal het nooit vergeten, met een grote knal de vuist van Henk door het raampje tevoorschijn komen. Het raampje spat naar alle kanten in scherven (heb ik daarbij zelfs bloed zien spatten?). De schrik zit er bij iedereen goed in. Henk heeft schuldbewust nog wel de tegenwoordigheid van geest om op zijn Tomos een nieuw ruitje te kopen op Halfweg maar ik weet niet zeker of hij die nog op tijd heeft kunnen terugzetten. Met stopverf.

Als je vanaf het plateau niet de drang hebt om naar de WC te gaan maar wel om jezelf te bewonderen dan kun je dat nu doen in de grote spiegel aan je rechterhand. De spiegel met facetgeslepen lijst en kleine roestplekjes op de achterzijde, strategisch hier opgehangen zodat als je ’s morgens na het opstaan van de trap afkomt meteen kunt controleren of je al klaar bent voor de nieuwe dag.

Bij de sloop

Maar dat doen we nu even niet. In plaats daarvan keren we de spiegel onze rug toe en gaan we langs de tweede trap van de trap naar boven. Je plaatst je voeten nu op een loper die met roeden wordt strak gehouden en ingenieus in een bocht van 90 graden naar links met de trap meedraait. Gevaarlijk overigens als één van de roeden losschiet uit de oogjes waarmee ze aan de traptreden bevestigd zijn.

in 2007

Eenmaal boven kijk je recht tegen een witgekalkte muur die Kees nog heeft gebruikt als projectiescherm voor de projector die hij bouwde met mijn FisherTechnik, een fietslampje en zijn vergrootglas in dat bruine hoesje waarmee hij ook eens heeft geprobeerd fikkie te stoken door het als brandglas te gebruiken. Dat is hem niet gelukt. Wel hebben we langdurig de blauwe-smurf-met-rode-muts bestudeerd die we vanaf een kleine tekening loepzuiver vergroot op de witte muur kregen.

Links van ons is nu de gele deur van de ingebouwde hangkast waarin modieuze mantels van mam hangen met daaronder haar verzameling eveneens modieuze schoenen met halfhoge hakken, vaak afgesleten zodat er een harde stalen punt resteert. Rechtdoor, niet dwars door ons projectiescherm maar door de deur vlak daarnaast komen we in de slaapkamer van onze ouders (en soms één van ons als bijslaapje, zoals ik die week dat pap beneden in verband met zijn spit in de voorkamer lag. Mam stelde het toen erg op prijs als ik haar kant van het bed alvast voor haar voorverwarmde), met een vreemdsoortig koud aandoend gelig zijl waarin door mam talrijke gaten zijn geponst met de zojuist beschreven stalen hakken van haar schoenen.

Als we de kamer van pap en mam nu links laten voor wat het is en onze weg vervolgen naar het eind van de overloop dan komen we bij een tweede ingebouwde hangkast en een tweede slaapkamer, als het ware met de nok van het dak als symmetrie-as gespiegeld ten opzichte van de ruimten van zojuist. Hier is de jongensslaapkamer die nauwelijks voldoende ruimte biedt aan de twee stapelbedden, temeer daar de schoorsteen een hap neemt uit het beschikbare vloeroppervlak – eveneens bedekt met het eigenaardige zeil als bij mijn ouders, en ook bij mijn zusjes zoals we later zullen zien.

Bij de sloop in 2007

Mijn slaapkamer

Links in de kamer staat een houten dekenkist met daarop een kanten kleedje en daarop uitgestald de oorlogsschepen van Henk. De modelbouwschepen hebben het daar zwaar te verduren. Een aantal missen kanonnen of hebben geknakte masten vanwege het bombardement van dekens door mama bij het verschonen van de bedden. Aan de linkerwand boven het scheepskerkhof hangen twee opmerkelijke objecten. Het wijwaterbakje van Kees met de ’s nachts groen fluorescerende crucifix. Je moet in het donker wel heel goed kijken wil je Jezus ontwaren – speelt ie soms verstoppertje? En de grijze intercom aangesloten op het systeem dat Wim heeft aangelegd en waarmee de familie vanuit elke kamer in huis gesprekken met elkaar kan voeren. Beneden hangt de hoofdintercom en als je iets te melden hebt dan moet je terwijl je spreekt het witte knopje ingedrukt houden. En als je kaar bent dan zeg je “over”. Net als de familie Tracy in de Thunderbirds.

Genoemd zijn al de stapelbedden. Het zijn krakkemikkige stalen frames waarvan het bovenste bed in alle richtingen zwiept als je je beweegt. Ik slaap in het stapelbed rechts, onder. Als de slaapkamerdeur openstaat dan kan ik hier vanaf mijn kussen deels volgen wat er in de Bauduinlaan gebeurt, via mijn zichtlijn diagonaal door de overloop en het raam daarachter naar buiten. Henk slaapt boven mij.

Het andere stapelbed staat halfgedraaid achter in de kamer bij het raam en is van Kees (onder) en Wim (boven). De bedden zijn echt krakkemikkig. Toen Henk laatst in bed stapte terwijl ik al lag te slapen begaven de beugels van de staanders het zodat hij met bovenbed en al naar beneden zakte. Hij sprong er weer snel uit en kon maar ternauwernood voorkomen dat ik geplet werd. Maar gelukkig heeft pap de beugels bij van Houwelingen voor een vriendenprijsje weer vast laten lassen zodat het bed weer een tijdje meekan.

Ook hier biedt het raam achterin weer het weidse uitzicht over de IJpolders en de ‘Mobiel’ richting Amsterdam. Maar nu zie je veel meer omdat je over de kanarieschuur heen kunt kijken. Wat ik dan ook regelmatig doe. Vooral hoogzomers met de verrekijker van pap. Daarmee haal je alles heel dicht naar je toe terwijl je de bijbehorende geluiden bijna niet of als zacht geroezemoes hoort. Precies het tegenovergestelde van de treinen zeg maar die langs de spoorbomen op Halfweg komen. Die zie je dan niet maar je hoort ze wel. Op windstille dagen kun je zelfs hun geluid volgen als de trein zich verplaatst van Amsterdam naar Haarlem. Of de andere kant op.

In de verte trekt regelmatig zacht hoorbaar een geel rupsvoertuig mijn aandacht. Als die in het land aan het ploegen is, gevolgd door zeemeeuwen die verbouwereerde regenwurmpjes oppikken en naar binnen slikken zodra die uit de vette klei tevoorschijn komen.

Bij de aanblik van de ongebruikelijke rupsbanden moet ik terugdenken aan een hoogoplopend meningsverschil tussen Wim, Henk en ome Theo. Wim vraagt zich af of de zware trekkers van tegenwoordig in tegenstelling tot de werkpaarden van vroeger de zware klei in de polder niet tot een waterdichte plaat pletten?

Henk stelt van niet, ome Theo schampert van wel. Over vijfenveertig jaar zal ik trouwens van een collega horen dat ik hem vandaag wellicht al in het vizier heb omdat hij als kleine jongen op die Caterpillar soms mee mag rijden.

De zeemeeuwen, ook wel geduid als vliegende rat, zie ik ook boven de vuilnisbelt, vlak voor de Mobiel, als talloze vrachtwagens met Amsterdams huisvuil daar uit hun laadbak leegkiepen. Opa Meekel struint regelmatig samen met de meeuwen door het uitgekiepte afval en zodoende beschikken wij over een veeldelig roestvrijstalen bestek waarvan de vorken, messen en lepels op de achterzijde zijn ingegraveerd met het logo van de KLM. Inclusief kroontje.

Wat kan ik nog meer vertellen over mijn slaapkamer? Dat er ’s morgens na het wakkerworden ineens naast mij een afbeelding van een dwerg op de muur is geplakt? Dat je achter in de hoek de antennedraden uit de vloer omhoog kunt trekken zodat ze beneden gaan roepen dat de TV het niet meer doet? Of dat ik eens ’s morgens halfwakker dwergen zie die met een schop in een grote berg kiezelstenen staan te scheppen, met precies hetzelfde geluid en ritme als waarmee mijn broers zwaar liggen te ademen? Dat je ’s morgens wakker kunt worden met een laagje ijs op je deken, vanwege de vrieskou die je adem heeft verrijpt? Ook waarom je wakker kunt worden met een extra mantel van mam op je deken? Of dat ik doodsbang in het donker in bed naar mijn voeteneinde kijk omdat ik vlammetjes zie? Totdat ik opgelucht beredeneer dat het mijn bretels zijn die liggen te glimmen in het maanlicht?

Mijn nieuwe zusje
Mijn zusjes

Of dat oma beneden zegt dat ze een zwaailicht ziet bij Zijkaanaal-F, op het moment dat Wim zijn lampje op de waslijnpaal laat knipperen? Dat ik boos en verongelijkt de slaap niet kan vatten omdat ik beneden de trailer hoor van Ivanhoe? Waarvan achteraf blijkt dat het de intro is van KRO Brandpunt? Dat ik maar niet in slaap kan komen vanwege de ongebruikelijke geruchten beneden, maar daarna mag komen om kennis te maken met mijn nieuwe zusje?

Over mijn zusjes gesproken. Thea en Elly hebben halverwege de overloop natuurlijk hun eigen slaapkamer, aan de voorkant van het huis. Het is daar in de winter bijkans nog kouder dan bij ons. Dat komt door dat gat in de voorruit. Maar ik hou van het driehoekige rode tafeltje met de buizenpootjes. Oh jah, en het ruikt er een beetje naar kaas.

De ‘schuur’

Vanuit de voorkamer, nu niet naar boven maar rechtdoor de gang door, na het passeren van de groene voordeur met matglas links, en de muur met kapstok en Perzisch wandtapijt daartegenover, kom je eerst langs de douche voordat je met een trede omlaag de bijkeuken instapt. Die douche, vanbinnen bruin bepleisterd, is meestal koud en wordt eigenlijk alleen door mijn oudere broers en zussen gebruikt, afgezien dan van de enkele keer dat de geiser het wél doet en ik met m’n blote kont op de grond zit te badderen en met een schoteltje op het afvoerputje probeer te verhinderen dat het warme water meteen weer wegstroomt.

De vloer van de bijkeuken die door ons ‘de schuur’ wordt genoemd, bestaat uit stoeptegels waarop een kleurige biezenmat is uitgerold naar de achterdeur en Mollie een matje heeft gekregen bij onze fietsen. Nou ja niet die van mij, ik heb er geen. Maar dit is wel de plek waar ik tijdens het lekke-banden-plakken de geur van Simsom solutie van nabij leer kennen. In de deur waardoor we zojuist zijn binnengekomen is trouwens rechtsonder door Molly een gat uitgekrabd, in de hoek waar zich ook een afvoerputje bevindt en waar de biezenmat enigszins door vocht is weggeteerd.

Wat ik heel goed vind van onze schuur is het galmen bij het afschieten van m’n klappertjespistool. Hetzelfde pistool waarmee ik op de kleuterschool bij ‘cowboytje spelen’ (“rooheit-rooheit-rooheit”) klasgenootjes vermomd als indiaan naar de eeuwige jachtvelden stuur. Die klappertjes zitten als druppeltjes kruit op een rolletje rood papier dat je in je pistool moet stoppen. Bij het overhalen van de trekker zorgt een listig mechaniekje er dan voor dat de haan precies op het volgende druppeltje hamert. Pats, pats, pats…. gaat het dan. Maar thuis klinken na verloop van tijd alle knalletjes hetzelfde en er is niemand om op te jagen. Op zo’n moment pakken Kees en ik dan maar papa’s hamer en geven daarmee een flinke hengst op een volledig rolletje. De daverende klap zorgt er dan trouwens wel voor dat het daarna behoorlijk lang tuut in je oren – maar het verbrande kruit ruikt best lekker. Een andere leuke variant met de klappertjes is het krabben met je nagel over zo’n druppeltje zodat het eventjes kort opvlamt. Wel uitkijken trouwens, laatst hield ik er nog een zwartverbrande nagel die pijn deed en een boze mam aan over “geen klappertjes meer voor jou!”.

Direct links in de hoek van de schuur, dus naast de deur met het gat en boven het afvoerputje, staat het groene stalen frame, afgedekt met kromgetrokken spaanplaat, en daarop een driepits-gasstel dat is aangesloten op een butagasfles. Vooral op koude winterdagen worden voor het koken met driftig heen-en-weer-kantelen de laatste restjes gas door mam uit de gasfles geschud. Overigens niet die keer dat de gasfles dubbel was afgevuld en de steekvlammen bijna tot het dak kwamen.

In het midden van de schuur staat een machine voor mama om de was mee te doen (aan het wassen in onze wasketel op het gasstel heb ik net geen herinnering meer). Aanvankelijk een half-automaat met bovenop zo’n wringer waarmee de laatste restjes water uit de was worden gewurmd. De wasmachine krijgt al snel gezelschap van de Miele-(niet verniele)-centifuge, alweer zo’n uitvinding die het leven van de moderne huisvrouw aanzienlijk verlicht. Niet vergeten om een teil onder de afvoer te plaatsen, laatst stond namelijk mijn muziektrein4 in het water, overigens was dat in de woonkamer. Weer later wordt het setje vervangen door één volautomatische wasmachine. Genoemde apparaten staan trouwens wel eens buiten bedrijf omdat de waterleidingen dan bevroren zijn, maar vaak wordt dat in een mum ook weer opgelost door er een brandende kaars onder te zetten. Onder de waterleiding welteverstaan.

Over de biezenmat op weg naar buiten kom je eerst langs de (voor een kleine jongen) megahoge meterkast die ik voor geen meter vertrouw, het is een labiel ding dat vanboven met haakjes in oogjes scheef aan de muur hangt waardoor de beide deurtjes aan de voorzijde nogal eens spontaan openklappen. Ik loop er maar zo snel als ik kan langsheen om de buitendeur te bereiken. Met die buitendeur wordt af en toe best wel hard gesmeten. Het glas van het raam dat herhaaldelijk aan diggelen gaat wordt dan tijdelijk (maar dat kan best lang duren) door papa vervangen door een plaat board. Nadeel is dan dat je niet eerst door het raam het straatje kunt verkennen voordat je naar buiten stapt. Zodoende sta ik op een dag na aanstalten om naar de kerk te gaan oog in oog met een grote zwarte rat die ook nog eens begint te blazen. Zo goed als versteend weet ik toch nog de buitendeur veel te hard dicht te smijten – alweer – maar gelukkig nu zonder glasgerinkel. De pastoor moet het vandaag maar even zonder misdienaar doen.

  1. Vaag herinner ik mij nog het bezoek aan het ziekenhuis in Haarlem, met mama, na de operatie. Ik herinner mij een zaal met mannen, allen in streepjespyjama, waarvan één met opgetakeld been.
  2. Het verhaal doet de ronde dat dit gevolg was van dat mijn vader tijdens zijn werk bij ‘De Ballast’ met een dragline uit drijfzand zou zijn getrokken. 
  3. Meerdere jaren achtereen vermoedelijk, omdat Kees’ zijn potje (en masker) van klei is gebakken en geglazuurd en die van mij niet.der misdienaar doen.
  4. De muziektrein bestaat uit een rond spoor waarop bij wijze van xylofoon klankplaatjes gelegd kunnen worden. Een locomotief slaat bij het rijden met een rubberen bal de plaatjes aan zodat er – mits gelegd in de juiste volgorde – een muzikaal deuntje wordt gespeeld.
Dit bericht is geplaatst in Uncategorized. Bookmark de permalink.