De Grote Wijde Wereld….
- Zuiderweg
- Rode Dorp
- Halfweg
- Zoete Inval
- Haarlem
- Amsterdam
- Het misdienaarsreisje
Op de ingekleurde foto mijn ouderlijk huis zoals het eruit ziet op de donderdag dat ik het eerste levenslicht zie. De dag waarop de Volkskrant meldt dat de gemeenteraad in Amsterdam goedkeuring verleent aan het ontwerp van Vegter en Berghoef, voor een nieuw stadhuis dat daarna nooit wordt gebouwd. Ruim tien jaar geniet ik aan de Bauduinlaan van mijn ombekommerde jeugd, slechts verstoord door mijn angsten voor de schooltandarts, het wekelijkse schoolzwemmen en Sinterklaas. Ik kijk rond, de katten uit de boom en denk veel na over wat ik zie. Door het ‘raam met de ruit’ in het midden, linksboven de WC, kan ik vanuit mijn bed, als de slaapkamerdeur tenminste openstaat, een deel van de Bauduinlaan gadeslaan. Zodoende ontdek ik zelf het Dopplereffect; auto’s maken een hoger geluid als ze naderen dan nadat ze gepasseerd zijn. Ik hoor het ook aan de vliegtuigen die om de vier à vijf minuten zó laag overvliegen dat je zowat kunt zwaaien naar de mensen achter de raampjes.


Op de doortochtige landmanswoning, ontworpen door architect Schuitemaker uit Purmerend, en tezamen met de twee belendende huizen gebouwd voor de somma van 43.000 gulden, wordt veel gemopperd maar desalniettemin is de indeling slim en de vormgeving stijlvol. Hiernaast bijvoorbeeld de roset die de linkerbuitenmuur siert. Een ornament als dit en de afwerking van het houtwerk zowel binnen als buiten getuigen van zorgvuldige bouw ergens in de jaren vijftig. De roset overigens nodigt ons in onze jonge jaren uit om met een tennisbal op het midden te mikken.
Hoe vaker raak hoe hoger de score. Die scores zijn soms zo hoog dat mama – het gebonk zat – komt zeggen dat we wat anders moeten verzinnen.
De Voorkamer
Om precies te zijn: ik ben geboren in de voorkamer, in een kraambed direct achter dat grote raam. Dat is namelijk de plek waar in voorkomende gevallen een ledikant wordt opgesteld, voor mijn moeder bij geboortes, of voor mijn vader als die herstelt van zijn maagoperatie1 of rust moest houden vanwege zijn geforceerde rug2.
De voorkamer biedt door de dunne beglazing een weids uitzicht over het westen van de Houtrakpolder – kortweg ‘de polder’ – richting Spaarndam. Schier eindeloze akkers die vanaf de lente tot de herfst tot aan de horizon verkleuren met suikerbieten, tarwe, aardappelen of gerst. De kamer heeft geen kachel, wel is aan de achterwand de warmte voelbaar van de schoorsteen waarop de oliekachel in de woonkamer is aangesloten.

"In de liefde is teveel nauwelijks genoeg"
Deze spreuk op het bordje aan de muur onthou ik preciezer dan de kamer waarin het hangt. Voor nu hou ik het even op de voorkamer maar het kan net zo makkelijk de woonkamer zijn waar we straks een kijkje zullen nemen.
Veel belangrijker dan de plek is de betekenis waarover de tekst die de zeven haasjes op het bordje vergezelt, in een groen veld onder een blauwe lucht, geen misverstand laat bestaan: In dit huis is er veel liefde en derhalve is het huis nauwelijks groot genoeg! Maar er klopt iets niet. Althans niet helemaal zolang we aan de Bauduinlaan wonen. De twee grootste haasjes in het midden stellen mijn oudste zus en broer Elly en Henk voor. De vijf haasjes in afnemende grootte aan weerszijden van hen staan voor Wim, Thea, Kees, ik en Paul. Het bordje is derhalve niet langer toepasselijk na 1969, het jaar waarin mijn jongste zusje Marjon geboren wordt.
’s Winters is het in de voorkamer zo kil dat het nauwelijks wordt gebruikt. Behoudens dan in de genoemde omstandigheden waarbij een Rowenta kacheltje de stoppen uit de meterkast doen slaan. Of wanneer mijn oudste broers de lage temperatuur trotseren bij het luisteren naar hun nieuwe platen (Lady Madonna van Wim) of het rangeren met Minitrix-treintjes (of van Lima – “Veel beter” – volgens Henk). Laatst was Wim trouwens in de weer met een losse draaitafel waarmee hij zelf een platenspeler gaat bouwen. Ome Theo zei hem toen “Je moet er niet alleen naar kijken, je moet er ook eens iets mee gaan doen!” Overigens gedijen de prachtige hertshoorn aan de warme muur en de kleurige cyclamen achter het raam hier uitstekend, tot grote voldoening van mama.
In de voorkamer bevindt zich trouwens verstopt in de hoek naast het raam nog een ruime inbouwkast met groene deur. Die kast lijkt te fungeren als kunst-depot gezien de stapel tekeningen hierin door ons op school gemaakt en de ‘gebakken’ potjes van de pottenbakker die daar een demonstratie kwam geven3. Hier vind ik ook het schetsboek dat Henk heeft gemaakt over de Olympische Spelen in Tokio. Met de mooi geschilderde Olympische ringen en de handtekening van Ada Kok.
De Kelder
Linksonder het raam van de voorkamer het kleine raampje van de kelder. Die donkere muffe ruimte vind ik eng. Na het openen van de toegangsdeur vanuit de gang naast de opgaande trap is het uitkijken geblazen dat je niet van het steile trapje naar beneden lazert, eventueel in het water dat in natte delen van het jaar centimeters hoog staat. Op richels langs de klamme wanden staan weckflessen met allerhande ingemaakte groente die m’n vader met onze ‘hulp’ in de tuin heeft geoogst. De potten sperziebonen en rode bieten zijn bedekt met stof en spinrag gesponnen door vette spinnen met dikke poten. Ze doen mij de lust voor het eten van de conserven vergaan en ik kan me niet voorstellen dat ik dat in volle bewustzijn heb gedaan.
- Vaag herinner ik mij nog het bezoek aan het ziekenhuis in Haarlem, met mama, na de operatie. Ik herinner mij een zaal met mannen, allen in streepjespyjama, waarvan één met opgetakeld been.
- Het verhaal doet de ronde dat dit gevolg was van dat mijn vader tijdens zijn werk bij ‘De Ballast’ met een dragline uit drijfzand zou zijn getrokken.
- Meerdere jaren achtereen vermoedelijk, omdat Kees’ zijn potje (en masker) van klei is gebakken en geglazuurd en die van mij niet.





